|
Enschede-Stad > Reportage > Vestingwerken |
|||
|
Vestingwerken |
|||
|
Tekst: Enschede-Stad.nl Toen Enschede in 1325 stadsrechten kreeg, verleende de bisschop van Utrecht ook het recht om de nederzetting te versterken. Voor 1325 was Enschede echter al omgeven door een gracht, de zogenaamde Stadsgraven. De twee bruggen over die gracht, de Veldbrug (in de huidige Marktstraat) en de Esbrug (in de Langstraat, ter hoogte van de Hofpassage) waren al voor 1300 versterkt door poorten. Verder lag er binnen de gracht, ten oosten van de Oude Kerk, de Burcht van Enschede, waar tot ver in de 13e eeuw de heren van Enschede woonden. De Burcht was zelf ook omgeven door een brede gracht, de Borggraven, die in verbinding stond met de Stadsgraven. In 1465 gelastte de bisschop de burgers van Enschede een houten omheining rondom de stad aan te leggen. De palissade werd gebouwd op een wal die gelegen was tussen de oude Stadsgraven en een nieuwe buitengracht. Om de stad schadeloos te stellen schonk de bisschop een stuk woeste grond buiten de Veldpoort, de zogenaamde Stadsmaten of Stadsweide. Een kleine dertig jaar later werd er aan de noordkant van de stad een bolwerk opgericht, wellicht met materiaal afkomstig van de burcht die rond dezelfde tijd gesloopt werd. In 1518 werd de stad door de Geldersen op de bisschop veroverd. Zij maakten de vestingwerken met de grond gelijk. De constante uitvallen van bisschoppelijk bendes vanuit Oldenzaal maakten een nieuwe versterking van Enschede echter noodzakelijk. In 1523 werd de vesting herbouwd en werd op de Markt het zogenaamde Blokhuis opgericht dat bijna het gehele toenmalige plein besloeg.
Behalve de directe stedelijke vestingwerken kende Enschede, net als veel plaatsen in Oost-Nederland, ook een stelsel van Landweren die het oprukken van vijandelijke troepen bemoeilijkte.
De Landweren bestonden uit twee meter brede wallen met aan beide zijden een diepe sloot.
De wallen waren beplant met dichte dorenhagen.
Doorgangen werden bewaakt met slagbomen en versterkte huizen.
De landweren, Enschede kende er twee, liepen in wijde kringen rondom de stad.
Vooral de buitenste bleef nog tot ver in de 17e eeuw goed herkenbaar in het landschap.
|
|
||
|
Het blokhuis op de Markt was geen lang leven beschoren. Toen Enschede definitief onder Habsburgse vlag kwam werd het gebouw op verzoek van de burgerij gesloopt. Het hout werd gebruikt om de stad verder te versterken. Nog voor 1535 verrees in het zuiden van het stadje een nieuwe havezate, door de bewoner Roelof van Scheven als "Borg Enschede" aangeduid. Hij weigerde als bewoner van de nieuwe borg burgerdiensten als staeken (de houten staketsels in goede staat houden), waeken (wacht lopen) en isen (het ijsvrij houden van de grachten) te verrichten. Allemaal gemeenschappelijke taken die van groot belang waren voor de veiligheid van de stad. In 1543 beval de stadhouder aan de drost van Twente Enschede te ontvesten. De grote omvang van de stad bleek een goede verdediging in de weg te staan. Kennelijk waren de staten van Overijssel niet van plan grote investeringen te doen om de relatief onbeduidende Twentse stadjes van nieuwe omwallingen te voorzien. De introductie van zware vuurwapens had de houten palissade rondom Enschede nutteloos gemaakt. De burgers gingen in Deventer in beroep en wisten de ontmanteling van de wallen tegen te houden. Pas in de Tachtigjarige Oorlog werd de stad echter weer enigszins afdoende versterkt. De Spaanse commandant Mario Martinengo liet zeven bolwerken aanleggen. Van enkelen is de naam nog bekend. De Duivelskeuken lag tussen de Heurne en de Van Lochemstraat. Tussen de Kalanderstraat en de vroegere Zuiderhagen, op het huidige Van Heekplein lag bolwerk Den Bril. Andere bolwerken lagen tussen de Klomp en de Kalanderstraat, bij de Zuidmolen, aan de Pijpenstraat en in de hoek tussen de Korte Hengelosestraat en de Noorderhagen. Het zevende bolwerk lag op de plaats van het huidige Larinkssticht. De sterkte van Enschede werd door tijdgenoten niet hoog gewaardeerd. 'Enschede, een kleyne Stadt in Overijssel, de welcke […] met seven Bolwerken rondtsom bestreecken was, beneffens een dobbele graft: Doch waren die Bolwerken enge, soo dat sij niet veel gheweldts mochten teghenstaen'. In oktober 1597 was de vesting Enschede 'ongelooflijk slecht versorgd'. Toen prins Maurits op 18 oktober van dat zelfde jaar voor de poorten verscheen gaf de stad zich dan ook zonder slag of stoot over. Hoewel Maurits de oude rechten van Enschede bevestigde, verordonneerde hij wel het ontmantelen van de vesting. Aldus geschiedde. De wal werd gebruikt voor het dempen van de Buitengracht. De binnengracht bleef, zei het versmald, bestaan, evenals de twee poorten. De militaire rol van Enschede was met het dempen van het laatste stuk Buitengracht in 1600 uitgespeeld. De stad bleef echter nog 262 jaar opgesloten binnen haar Stadsgraven. Deze gracht verwerd in de 19e eeuw tot een open riool dat dankzij de opbloeiende textielnijverheid alle kleuren van de regenboog had. Het was overigens waarschijnlijk wel aan de chemische vervuiling van het grachtwater te danken dat de stad nooit getroffen werd door Cholera. Toen het puin van de stadsbrand in 1862 gebruikt werd om de ontvesting van de stad te vervolmaken zal wel niemand een traan gelaten hebben. Bron: A. Benthem, Geschiedenis van Enschede en zijne naaste omgeving, (Enschede 1920). |
|||