|
Enschede-Stad > Reportage > Van Heek |
|||
|
Van Heek |
|||
|
Tekst: Robert De familie van Heek heeft Enschede landelijk op de kaart gezet. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw begon deze fabrikantenfamilie, afkomstig van een simpele boerderij in Delden, aan haar enorme expansie. Het huwelijk van Hendrik Jan van Heek met de vermogende Enschedese fabriqueursdochter Engelbertha Lasonder in 1778 wordt traditioneel als startpunt aangegeven. |
|||
H.J. van Heek en Zonen Kort na het huwelijk kocht Van Heek de gronden nevenliggend aan die van zijn schoonvader, vanaf waar een linnenindustrie werd opgestart. Het eerste jaar zal hij gebruikt hebben voor het opstarten van zijn |
|||
| onderneming, halverwege 1779 komt hij nog niet voor op een lijst van kooplieden en fabriqueurs. Het jaar daarop werd door Van Heek een natuurbleek aangelegd, die heden ten dage nog bekend staat als Van Heeksbleek. Het door de boeren gesponnen en geweven garen werd door het bedrijf gebleekt en klaargemaakt voor de handel. Het bedrijf van zijn schoonvader Jan Berent Lasonder ontplooide gelijksoortige activiteiten. Het oorspronkelijke bedrijf van Lasonder kwam omstreeks 1810 door vererving terecht bij (klein)zoon Gerrit Jan van Heek. Het jaar daaropvolgend werden door de erven Hendrik Jan van Heek, in het bijzonder door zijn zonen Gerrit Jan (1780-1851) en Helmich (1785-1847), de firma H.J. van Heek en Zonen opgericht. Deze firma produceerde tot aan 1858 op de tot dan gebruikelijke wijze. Aan het eind van dat jaar werd door de toenmalige firmanten, te weten de zonen van de oprichters, de firma opgeheven. |
|
||
|
Van Heek & Co. Hendrik Jan (1815 - 1872), Herman (1816 - 1882) en Gerrit Jan (1837 - 1915) van Heek, allen zonen van bovengenoemde Helmich, startten met terugwerkende kracht op 1 januari 1859 de firma Van Heek & Co. Besloten werd over te gaan tot het fabriceren van katoenen of ander stoffen, het deelnemen in publieke of private handelsondernemingen en het drijven van koophandel in het algemeen. De zogenaamde oude weverij aan de Noorderhagen werd in 1860 als eerste gebouwd en met 57 weefgetouwen ging men van start; na de stadsbrand werd de spinnerij Kremersmaten opgestart en zeven jaar na oprichting draaide het bedrijf met 15.100 spillen en werden er 660 getouwen op gang gehouden. De grootste fabriek van Enschede was een feit, en dat zou het voor de komende honderd jaar blijven. Na het overlijden van Hendrik Jan in 1872 werden tot de firmanten Helmich van Heek (1845-1902, zoon van Herman van Heek) en Abraham Ledeboer (1842-1897, zoon van Maria Geertuid van Heek en Abraham Ledeboer) toegelaten. De familie Ledeboer bleef vrijwel tot het einde van de onderneming als firmant of directeur actief. Een gouden tijd was aangebroken die voortduurde tot aan het eind van de jaren '20. Hoge producties en bijbehorende winsten waren het gevolg. Fabrikantenvilla's schoten in groten getale de grond uit, in Enschede en aan de uitvalswegen. Eveneens werden er grote landgoederen buiten de stad aangelegd of werden oude buitenplaatsen gerevitaliseerd. ![]() Fabriekencomplex Van Heek & Co. |
|||
De wereldwijde economische crisis zorgde vanaf 1929 voor veel onrust. Niet enkel bij de arbeiders, doch ook bij de fabrikanten zelf. De financiële structuur van het bedrijf was sinds de oprichting gebaseerd op het eigen vermogen, slechts een klein deel van het totale vermogen werd met vreemd vermogen gefinancierd. Firmanten konden dan ook hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden. Voornamelijk bij de familie Ledeboer zal dit tot grote zorgen hebben geleid, Abraham sr. en jr. waren voor een betrekkelijk groot deel persoonlijk verantwoordelijk. Enkele jaren later, juridisch op 1 januari 1935, werd de firma dan ook omgezet in de N.V. van Heek & Co. Een unieke gebeurtenis, aangezien ook niet-familieleden in principe in de gelegenheid waren een aandeel te nemen in het bedrijf; de eerste jaren bleef het meerderheidsaandeel in de familie. Jan Herman van Heek (G.J. zn.) trad op als President-commissaris, voornamelijk in opdracht van de familie. De crisis in de jaren '30 bleek het begin van het einde te zijn, al voor de Tweede Wereldoorlog vond er een trend plaats, die ook tegenwoordig goed herkenbaar is bij bedrijven. Sterke concurrentie uit (toenmalige) lagelonenlanden zoals Japan zorgde in de loop der tijd voor structurele overcapaciteit. Het marktaandeel in de traditionele afzetgebieden daalde desastreus. De Tweede Wereldoorlog zorgde in bedrijfsmatig opzicht voor niet al te veel problemen. De bedrijfsstructuur werd in stand gehouden en de fabrieken draaiden door, afzetmogelijkheden werden gevonden in het Duitse Rijk. In de persoonlijke sfeer werd de Raad van Bestuur zwaar getroffen, Abraham Ledeboer kwam terecht in het concentratiekamp Neuengamme en overleefde de verschrikkelijke tijd aldaar niet. |
|
||
Boekelosche Stoombleekerij Hendrik Jan Engelberg (1864-1930) en Willem Helmig (1865 -1929), beiden zonen van Gerrit Jan van Heek, werden door hun vader uitverkoren om gezamenlijk een nieuwe fabriek op te bouwen in het vlakbij Enschede gelegen Boekelo. Er werd een blekerij gebouwd, en een spoorlijn in de richting van Winterswijk aangelegd, (grotendeels) gefinancierd door Van Heek. Het bedrijf aldaar opgestart in 1884 als onderdeel van Van Heek & Co., ging vanaf 1895 verder als zelfstandige vennootschap. Er werd in 1897 een joint venture aangegaan met de in dat jaar gestarte firma G.J. van Heek & Zonen (Rigtersbleek). De juridische status werd in 1931 aangepast, na samenwerking met de Bornse Twentsche Stoomblekerij, en de familie van Heek begon hier al haar invloed te verliezen. G.J. van Heek & Zonen |
|||
Gebroeders Van Heek Schuttersveld "Hein wilde in het klein" Graag hadden de zonen van Helmich van Heek, die Van Heek & Co. oprichtten, samengewerkt met hun neven Pieter Engbert (1829-1888), Hendrik Jan (1830-1875) en Helmich August (1840-1917). Een verschil van mening over de vorm van bedrijfsvoering en onenigheid in de verdeling van de oude firma H.J. van Heek & zonen, leidden tot een breuk in de zakelijke contacten. Een apart bedrijf met hun moeder Margaretha Hermina ter Kuile (vader Gerrit Jan was al in 1851 overleden) werd opgezet en de villa van Charles de Maere op Het Schuttersveld werd aangekocht. De firma Gebroeders van Heek was een feit; Hein van Heek had de dagelijkse leiding. Door vele verschillende factoren bleef het bedrijf altijd in de schaduw staan van Van Heek & Co. Op technisch gebied innoveerde het bedrijf minder en behalve het om kunnen gaan met machines werd er van het personeel nog meer verwacht. Meehelpen bij het boerenbedrijf, jagen, hooien, het hoorde er allemaal bij. Het lijkt in de beginjaren een landelijk geheel te zijn geweest. Desondanks bleef het een bedrijf met aanzien, de gebroeders kwamen uit een gezin met 14 kinderen en moeder Margaretha Hermina was een aanzienrijk persoon. Vanaf haar 17de, totdat ze ruim de 70 gepasseerd was, had ze een grote invloed en een vakkundige blik. Ook hier werd de stoomkracht bijna direct ingeschakeld; de eigen |
|||
| fabrieksschoorsteen stond als symbolische baken in het industrialiserende landschap. Met haar producten maakt het bedrijf een gouden tijd door tot aan het begin van de twintigste eeuw. Afzetmarkten werden wereldwijd gevonden en de "Manchester" van Schuttersveld werd wereldberoemd. Hoge omzetten en winsten waren het gevolg. Alles leek mogelijk en enorme fabrieksterreinen werden de grond uitgestampt. De enorme muur aan de Tubantiasingel is een van de weinige tastbare herinneringen aan die tijd. Ook deze fabriek en familie ontkwam niet aan de vooruitgang. Crisis, staking en oorlog zaaiden onrust en verderf. De problemen begonnen zich hier aan het eind van de jaren '50 ook op te stapelen. |
|
||
Neergang der textiel Een beeld ontstaat van bedrijven die - ondanks een korte opleving na de oorlog - met veel moeite het hoofd boven water proberen te houden. Problemen werden het liefst in de familiale sfeer opgelost. Het in aanraking komen met grote schulden was ongewoon en zo snel mogelijk naar elkaar toetrekken om het hachje te redden is dan ook een logisch gevolg. Het opkopen van aandelen van elkaars bedrijven om zoveel mogelijk de macht in eigen handen te krijgen mislukte en was geen structurele oplossing voor het overkoepelend probleem: een krimpende markt. Verschillende malen probeerden de (oorspronkelijke) van Heek bedrijven te fuseren. Van Heek & Co, de Boekelosche Stoombleekerij, G.J. van Heek & Zonen, Ludwig van Heek & Zonen (een bedrijf dat door Ludwig G.J.zn. van Heek was opgericht te Losser) en Van Heek Schuttersveld zaten om tafel. Vooral de laatste was na 100 jaar onafhankelijkheid een vreemde gesprekspartner. In 1962 werd, vanwege de wederom verslechterende situatie, opnieuw besloten om de tafel te gaan zitten. Van Heek & Co, Rigtersbleek en Nico ter Kuile (geen Van Heek-bedrijf dus, doch familiaal sterk gerelateerd) besloten, mede na advies van De Twentsche bank die de liquiditeit met argusogen had gevolgd, opnieuw een reorganisatie te overwegen. Aldus geschiedde. Een nieuwe werkmaatschappij onder leiding van H.J. Geerkens, H.J. Zeggelt en H. van Joolen bood geen soelaas, het definitieve einde kwam in zicht. Enkele jaren later, op 4 april 1967 werd medegedeeld dat het totaal aantal werknemers met 2/3 ingekrompen zou worden en vanaf 4 juni 1968 werden alle productieactiviteiten stilgelegd. Er werd door een nieuwe holding (VEHACé B.V.) begonnen met het verkopen van de onroerende goederen en zo'n tien jaar later, op 19 juni 1981 werd besloten het bedrijf te liquideren. Van Heek ging niet failliet, de enige élan die nog ontleent kan worden aan de laatste 20 jaar van haar bestaan. Gelukkig werd al snel besloten tot het reserveren van de benodigde gelden om de geschiedenis van het bedrijf op schrift te stellen, evenals om de vele bedrijfsarchieven voor het nageslacht te behouden. Aan het boek Onderneming en Familisme - van dr. A.L. van Schelven -, evenals het bedrijfsarchief, is dit artikel dan ook grotendeels ontleend.
|
|||