Enschede-Stad > Reportage > De textielstaking

De textielstaking van 1923-1924

 
  Tekst: Enschede-Stad.nl

De stakingsgolf die op dit moment over ons land gaat is niet zonder voorgangers. Vaak wanneer werknemers werden geconfronteerd met het ongedaan maken van opgebouwde rechten is het tot actie gekomen. De massale protesten tegen de bezuinigingen op de sociale zekerheid en het onderwijs door de kabinetten Lubbers in de jaren '80 zullen velen nog helder voor de geest staan. Ook aan het begin van de 20e eeuw werd menig arbeidsconflict uitgevochten. De inzetten waren echter flink hoger dan tegenwoordig, de actiebereidheid eveneens. In 1923 kondigde de Enschedesche Fabrikantenvereeniging voor de tweede keer in één jaar aan de lonen aanzienlijk te willen verlagen of een verlenging van de werkweek van 48 tot 53 uur door te voeren. In de daaropvolgende winter lagen ruim vier maanden lang bijna alle textielfabrieken in Twente en de Achterhoek stil. 22.000 arbeiders raakten al of niet vrijwillig betrokken in een conflict dat meer weg had van een machtsstrijd dan van een economisch geschil.

De opgaande economische conjunctuur die de korte periode na de Eerste Wereldoorlog kenmerkte was in 1920 omgeslagen in een crisis. Sociale onrust in Duitsland en heftige valutaschommelingen in de omliggende landen waren daarvan de belangrijkste oorzaken. De invoering van de 48-urige werkweek en de snelle loonsverhogingen deden de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie echter ook geen goed. 
Toen in de tweede helft van 1920 ook de textielindustrie werd getroffen door de crisis behoorde het Twentse industriegebied tot de belangrijkste economische centra van Nederland. In de jaren '20 vond 2,5 procent van de totale Nederlandse beroepsbevolking werk in Twentse textielindustrie, de bijdrage aan het nationaal inkomen was nog hoger. De sociale tegenstelling tussen de enkele honderden textielfabrikanten en de massa's arbeiders was door de industriële monocultuur gigantisch. In 1922 werd in Enschede, waar 60 procent van de spinnerijen en 35 procent van de weverijen van heel Nederland stonden, 16,68% van 's Rijks inkomstenbelastingen betaald. Het gemiddeld vermogen van aangeslagenen in de vermogensbelasting in de gemeente Enschede was het hoogste van heel Nederland, terwijl nagenoeg al het vermogen geconcentreerd was in de handen van enkelen. In de Enschedese agglomeratie, die toen ruim 75.000 inwoners telde, bezaten 77 personen tezamen een vermogen van 142 miljoen gulden. 
De textielbedrijven waren grotendeels in handen van enkele families, de zogenaamde textielbaronnen. Deze groep had veel weg van ouderwetse feodale heersers en vormde een op zowel economisch als maatschappelijk gebied oppermachtige oligarchie. Het was voor de vakbonden bijzonder lastig om tegen de fabrikanten in te gaan. In het geval van staking stelde de Twentsch-Geldersche Fabrikantenvereeniging het zogenaamde Twentsche Stelsel in werking. Wanneer er in één fabriek gestaakt werd, reageerden de overige bedrijven met uitsluiting, wat betekende dat alle bij de fabrikantenvereniging aangesloten bedrijven de poorten dicht hielden. Het doel hiervan was de stakingskassen uit te putten en de arbeidersorganisaties te dwingen de staking te beëindigen. 
Eind augustus 1922 kondigden de Enschedese textielfabrikanten, met beroep op de economische toestand, aan om ofwel een verlenging van de werkweek tegen onveranderd loon of een loonsverlaging van 10 % door te voeren. De socialistische vakbond De Eendracht en de anarchistische LFT (Landelijke Federatie van Textielarbeiders) gingen onder geen beding akkoord met een werktijdverlenging. De christelijke vakorganisaties Unitas en St. Lambertus wilden wel meewerken als de economische noodzakelijkheid aangetoond kon worden. Een conferentie tussen de confessionele organisaties en de werkgevers leverde echter geen resultaat op. Aangezien een arbeidstijdverlenging niet op medewerking van de bonden kon rekenen, zag de fabrikantenvereniging zich gedwongen de lonen met 10 % te verlagen. Als reactie hierop wilden De Eendracht en de LTF tot staking overgaan. De confessionele bonden zagen de noodzaak van actie ook in, maar wilden door het grote aantal ongeorganiseerde arbeiders die in het geval van algehele uitsluiting in de regio op straat zouden komen te staan, niet meewerken aan een staking. Omdat een staking alleen succesvol kon zijn als alle grote bonden deelnamen zat er voor de socialisten niets anders op dan de loonsverlaging te slikken. 
Nog geen jaar later vroegen op een conferentie de werkgeversorganisaties opnieuw of de vakbonden mee wilden werken aan een lichte loonsverlaging en een verlenging van de werkweek met vijf uur. De bonden stonden op hun achterste benen, aangezien de nieuwe voorstellen van de fabrikanten werden opgevat als een poging een aantal pas verworven sociale zekerheden, waarvan de 48-urige werkweek de belangrijkste was, weer af te schaffen. De werkgevers en de bonden bleken niet in staat een compromis te sluiten en besloten werd om over te gaan tot staking. Eerst zou de weverij Kremersmaten van Van Heek&Co. in Enschede, waar het merendeel van de arbeiders georganiseerd was, worden plat gelegd. Uitsluiting door de fabrikantenvereniging zou dan vanzelf leiden tot het stilleggen van alle bedrijven in de regio. De Enschedesche Fabrikantenvereeniging reageerde als volgt:

In antwoord op Uw schrijven d.d. 22 dezer met bijlage, waarbij U te onzer kennis brengt dat de arbeiders der weverij Kremersmaten op 29 oktober den arbeid tegen het verlaagde loon niet zullen hervatten, meenen wij niet te mogen nalaten, U te wijzen op de verstrekkende gevolgen die dit niet alleen voor de arbeiders dier weverij, doch ook voor de andere arbeiders dierzelfde fabriek daarna voor omstreeks alle in onzer gemeente werkzame textielarbeiders in geheel Twenthe en de Geldersche Achterhoek zal hebben. In dit verband meenen wij niet te mogen verzwijgen, dat de firma Van Heek&Co. op afdoende steun van alle U reeds in een vorig schrijven met name genoemde textielondernemingen kan rekenen en wel binnen zeer korten termijn.

 
 
Het schrijven liet niets aan de verbeelding over en op 29 oktober 1923 bleven de georganiseerde arbeiders weg van Kremersmaten. Op 10 november werd op aanplakbiljetten in alle Enschedese fabrieken te verstaan gegeven dat, mits de arbeiders van Kremersmaten weer aan het werk gingen, de algehele uitsluiting op 24 november in zou gaan. Aldus geschiedde; de meeste Enschedese fabrieken hielden de poorten gesloten. Vanuit Den Haag werden verschillende pogingen gedaan om tot een oplossing van het conflict te komen. De werkgevers weigerden echter van hun oorspronkelijke voorstellen af te wijken. Vanaf 24 december werd als reactie op de staking in Enschede de uitsluiting uitgebreid naar heel Twente en de Achterhoek. Met kerst stonden ongeveer 22.000 arbeiders op straat. De onderhandelingen waren in een impasse geraakt en de staking was tot een uitputtingsslag geworden.
Gedurende de ruim vijf maanden die de uitsluiting duurde kregen de stakers betaald uit de stakingskassen van de vakbonden. Het loon van arbeiders in de textiel was vergeleken met dat van werknemers in andere bedrijfstakken in Nederland laag. De stakingsuitkering stelde al helemaal niet veel voor. Ongeorganiseerde arbeiders werden door de gemeentelijke overheden ondersteund en waren er nog slechter aan toe. De armoede die hier het gevolg van was, verergerd door het feit dat veel toeleveranciers van de industrie eveneens zware gevolgen ondervonden van de algehele uitsluiting, had een ontwrichtend effect op het openbare leven. In Enschede reden de trams leeg door de straten en waren winkels gedwongen de deuren te sluiten. In het voorjaar van 1924 werd de roep om interventie door Den Haag sterker. Zowel de vakbonden als de landelijke fractie van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) verzochten om een enquête aangaande het conflict. De werkgevers bleven zich beroepen op de economische crisis als rechtvaardiging voor de loonsverlaging, maar de vraag was of de textielondernemingen werkelijk ernstig te lijden hadden. De fabrikanten weigerden echter openheid aangaande de financiële toestand van hun ondernemingen te geven. In Den Haag raakte men langzamerhand doordrongen van de schade die de staking veroorzaakte. 



Minister Aalberse waarschuwde voor het verloren gaan van afzetmarkten in Azië, de financiële schade die verschillende Twentse gemeenten leden en de gevolgen van de staking voor de belastinginkomsten van de rijksoverheid. De SDAP-er Albarda wilde een arbeidsgeschillenwet aangenomen krijgen die een enquête mogelijk zou maken waarbij de fabrikanten de boeken zouden moeten openen. Ondanks de duidelijke negatieve gevolgen van het conflict op zowel de regionale als de nationale economie werd Albarda's wetsvoorstel met een flinke meerderheid verworpen. 
Eind april bereikten de confessionele bonden na enkele mislukte bemiddelingspogingen door het Rijk een overeenkomst met de fabrikanten. Men ging akkoord met een loonsverlaging van 7,5 procent en 130 overuren per jaar. De socialistische bonden besloten in een emotionele vergadering verder te staken. Desondanks werd de uitsluiting opgeheven en via aanplakbiljetten werd bekend gemaakt dat de fabrieken per 3 mei de poorten weer zouden openen. Het stakingsfront was gebroken, de Eendracht besloot de staking te beperken tot bedrijven in Enschede, Goor en Neede, waar zij veel leden had. 
De sfeer werd tijdens de laatste maand van de staking grimmiger. Werkwilligen werden bij de fabriekspoorten door leden van De Eendracht gemolesteerd. De haat tegen de fabrikanten die op paternalistische wijze hun wil trachtten op te leggen zat bij de arbeiders diep en veel leden van de socialistische bonden waren bereid tot het bittere einde te staken. De kassen van De Eendracht raakten echter uitgeput en een overwinning werd steeds onwaarschijnlijker. 
Op 20 juni belegde De Eendracht een algemene ledenvergadering in Ons Huis in Enschede. Het hoofdbestuur dat uit Amsterdam was overgekomen gaf het advies weer aan het werk te gaan, verder staken werd zinloos geacht. de werkgevers zouden van het besluit van De Eendracht op de hoogte worden gebracht. Een groot deel van de aanwezigen ontstak in woede. Het bestuur werd vanuit de zaal met meubilair bekogeld waarop de politie het gebouw ontruimde. De Amsterdamse bestuurders werden vervolgens onderweg naar het station door arbeiders in elkaar geslagen. De volgende dag werd het werk inderdaad weer hervat, maar werknemers die actief bij de staking betrokken waren geweest kregen bij de fabriekspoort te verstaan gegeven dat ze ontslagen waren. 
De boeken van onder andere Van Heek&Co zijn pas in 1994 openbaar gemaakt, bijna dertig jaar na de roemloze ondergang van de meeste textielgiganten. Eruit bleek wat zowel de vakbonden als historici die zich later met de staking hebben beziggehouden reeds veronderstelden. De reële noodzaak tot verlenging van de 48-urige werkweek en de loonverlagingen was er niet. De crisis in de textielindustrie was in 1923 al ten einde gekomen. De vraag naar katoenen weefsels nam vanaf begin 1924 weer sterk toe, mede door de slechte katoenoogst in de VS. Van grote concurrentie door andere textielproducerende regio's zoals Japan en Lancashire in Engeland bleek nauwelijks sprake. De uitsluiting zelf heeft wel een negatieve invloed gehad op de bedrijven in Twente. Britse en Belgische fabrikanten maakten van de situatie gebruik om hun marktaandeel in Nederland te vergroten en buitenlandse orders moesten worden geannuleerd omdat ze niet uitgevoerd konden worden. Het prestige was voor de fabrikanten echter belangrijker dan de werkelijke noodzaak en de economische schade. Zowel de werkgevers als de bonden waren zich bewust van het feit dat de staking in feite een machtsstrijd was.

"Eerst moet de strijd uit zijn met een volledige overwinning van de werkgevers en op Kremersmaten het werk tegen het verlaagde loon hervat zijn, ook al moet er drie maanden langer om gevochten worden. Tegen elke prijs moet het denkbeeld, dat er ook maar enige medezeggenschap is verkregen, op welke manier dan ook, voorkomen worden."

Juist de schijnbare willekeur waarmee de fabrikanten hun wil oplegden zette bij de arbeiders kwaad bloed. De loonsverlagingen zelf kon men vaak wel begrijpen, maar de arrogante wijze waarop ze opgelegd werden was voor veel mensen onverteerbaar. De textielstaking van 1924-25 liep uit op een verlies voor de vakorganisaties. De arbeiders moesten de loonsverlagingen slikken en de fabrikanten hadden overduidelijk aangetoond hoe onwankelbaar hun machtspositie in Twente was. Het zou nog een aantal keren tot grootschalige conflicten komen in de textiel maar de vakorganisaties slaagden er ondanks hun hoge organisatiegraad nooit in een staking te winnen. De fabrikanten bleven de belangrijkste maatschappelijke groep in Twente, tot zij eind jaren '60 in een lawine van faillissementen het publieke podium verlieten.

Naar boven
Bron:
W.H.M.E. Alberts, Marges van de vakbeweging : een analyse aan de hand van de Twentse katoenstakingen in 1923-1924 en 1931-1932 (Amsterdam 1971)
Dik Nas, Het Twentse Model, 125 Jaar Vakbeweging in Enschede (Amsterdam 1998)
 

Copyright ©Enschede-Stad.nl