Enschede-Stad > Geschiedenis

Geschiedenis van Enschede

   
Naar boven Middeleeuwen
Over de vroegste geschiedenis van Enschede is weinig bekend. Zeker is dat op de plek waar nu het stadscentrum ligt al in de vroege Middeleeuwen een nederzetting was. Deze nederzetting vormde het middelpunt van de marken Usselo, Esmarke, Lonneker, Driene en Twekkelo. De betekenis van de naam van de nederzetting, Anescede of Enscede, is niet geheel duidelijk. Het kan 'aan de scheiding' (grens) of 'aan de Es' (naar het uitgebreide essencomplex aan de oostkant van de stad) betekenen. In het plaatsje bevonden zich de parochiekerk, de markt en een versterkte adellijke woning. Over de plek waar dit 'kasteel van Enschede' precies stond zijn historici het nog niet eens geworden, maar aangenomen mag worden dat het zich ongeveer in het blok Haverstraat-Markt-Hofstraat bevond. Het stratenplan uit die tijd kwam op veel punten al overeen met de tegenwoordige situatie. De Oude Markt, de Langestraat en de Haverstraat werden reeds door bebouwing geflankeerd. De wegen vanuit het omliggende gebied liepen vanuit alle richtingen het dorp in. Aan deze organische situatie kwam een einde na 1325, in dat jaar kreeg Enschede van de Utrechtse bisschop Jan van Diest stadsrechten. Deze rechten hielden behalve het houden van jaarmarkten ook in dat men de nederzetting mocht gaan versterken. De versterkingen bestonden uit twee grachten die in een eivorm rondom de stad liepen. Tussen deze twee grachten werd een aarden wal opgeworpen, waarop een palissade verrees. Rondom de buitengracht werd een ondoordringbare, hoge haag geplant. Het Enschede van de late middeleeuwen was een stad van hout, modder en koeienstront. De huizen en stadsboerderijen waren opgetrokken uit vakwerk, de hoge topgevels bestonden uit lange planken, de daken waren gedekt met riet of stro. Er waren slechts enkele stenen bouwwerken in de stad, namelijk: het stadhuis, dat zich toen ook al in de bocht van de Langestraat bevond, de Grote Kerk, het kasteel en de twee stadspoorten. De huizen stonden ongerooid langs de straten en van duidelijke gevelwanden was nog geen sprake. Pas in de late Middeleeuwen begon het gemeentebestuur actief met het rooien van de gevels.

De oudste bekende kaart van Enschede.
   
Naar boven Proto-industrialisatie
Het licht ontvlambare geheel dat Enschede was, brandde in 1517, en nogmaals in 1750 tot de grond toe af. In 1600 werd op bevel van prins Maurits de vesting ontmanteld en de buitengracht gedempt. De branden en de ontvesting veranderden het karakter van het stadje echter niet erg ingrijpend. Hoewel het vakwerk in de 18e eeuw werd vervangen door baksteen en zandsteen en de bebouwingsdichtheid in de loop van de eeuwen wel steeds hoger werd. In de 18e eeuw begon ook de economie in Enschede te veranderen. Handel in textiel werd steeds belangrijker. De stad ging zich speciaal toeleggen op het zogenaamde bombazijn, een weefsel dat deels uit linnen en deels uit katoen bestaat. Linnenhandelaren kochten bij wevers van het platteland rondom de stad textiel en verkochten het vervolgens door aan handelaren in het westen van het land. Enschede groeide in eerste instantie nauwelijks van deze nieuwe activiteiten, de wevers bleven buiten de stad op hun keuterboerderijtjes wonen. Dit alles veranderde toen de linnen- en katoenhandelaren in de vroege 19e eeuw de schaal van de productie gingen vergroten door weverijen en spinnerijen in de stad te beginnen. Al snel breidde de stad zich uit buiten de grachten, de uitvalswegen werden bebouwd en fabriekjes verrezen in de stadstuinen ten noorden van de kern.

Enschede in 1826 gemaakt door Klaas B. Hanning in 1958.
   
Naar boven Industrialisatie
Het duurde tot ver in de 19e eeuw voordat men in Enschede en Twente begon met het mechaniseren van het weef- en spinproces. Pas rond 1850 deed de eerste stoommachine haar intrede in Enschede. Hierna ging het echter snel, het aantal fabrieken in Enschede nam in rap tempo toe, de oude stadsboerderijen in het centrum maakten plaats voor statige herenhuizen, en arbeidershuizen verrezen aan de rand van de stad. In de achterstraten waren de huizen echter nog altijd grotendeels opgetrokken uit hout en leem. In 1862 sloeg in een van deze arbeidershuizen, die van Lodewijk van Voorst aan de Kalanderstraat om precies te zijn, de vlam in de pan. Het huis vloog in brand en al snel sloeg het vuur, aangewakkerd door een straffe zuidoostenwind, over naar de oude stad. 's Avonds kon de balans worden opgemaakt; de hele stad binnen de gracht was verwoest, scholen, het ziekenhuis, fabrieken, het stadhuis en alle kerken waren in de as gelegd. Bij de wederopbouw werd, ondanks oproepen de ramp aan te grijpen voor een algehele modernisering, het oude stratenpatroon aangehouden. De gracht werd echter met het puin gedempt. De brand kon de opkomst van Enschede niet temperen, in een halve eeuw vertienvoudigde de stad haar inwonertal. Schijnbaar zonder plan werd het platteland rondom Enschede in hoog tempo volgebouwd met krottige arbeiderswijken en fabriekscomplexen. De goedkope bouwwijzen leidden vooral in de 19e eeuw tot schrijnende uitwassen. Namen van krottenwijken als de Krim, Sebastopol en het Overschot zijn nu, lang nadat ze gesloopt zijn, nog altijd berucht in Enschede.

De Grote Kerk na de stadsbrand.


De Krim: De Frederik Hendrikstraat rond 1900.
   
Naar boven Groei
Aan het begin van de 20e eeuw stapte de gemeente af van haar laissez-faire houding ten aanzien van de uitbreiding van de stad. Het gemeentebestuur kwam in 1907, als één van de eerste gemeenten in Nederland met een Algemeen Uitbreidingsplan. Belangrijkste onderdeel was de brede singel die werd aangelegd rondom de stad. Verder werd de aanzet gegeven tot het bouwen van het tuindorp Pathmos en de destijds moderne arbeiderswijk Laares. Tot ongeveer 1920 ontwikkelden de woonwijken zich vooral nog dichtbij de fabrieken omdat de arbeiders geen grote afstanden konden afleggen van werk naar huis. Vanaf de jaren '20 veranderde dit. De gemeente had in 1904 al de aanzet gegeven tot het opzetten van een openbaar vervoernetwerk door de Twentsche Electrische Tramweg- maatschappij (TET) op te richten. Er kwam een stadstram van het station naar Glanerbrug. Hoewel de tram al in 1933 het loodje legde door concurrentie van particuliere autobus maatschappijtjes begon de TET op routes naar andere stadsdelen busvervoer en droeg zo bij aan het mogelijk maken van een scheiding tussen woon- en werkgebieden. Nieuwe woonwijken lagen niet langer in de schaduw van de immense textielfabrieken maar konden aan de rand van de stad liggen, ruim opgezet met parkjes en pleinen. Er begon in Enschede naast de arbeiders en de textielbaronnen ook eindelijk een grote middenklasse te ontstaan. Zij bouwden hun ruime woningen in nieuwe wijken als het Zwik, het Varvik en het Lasonder. De fabrikanten verlieten intussen hun stadsvilla's en gingen op grote landgoederen in de nabije omgeving van de stad wonen. Het centrum begon in deze tijd het middelpunt van het stedelijke leven te worden, aan de Langestraat zetelden behalve het gemeentebestuur (vanaf 1933 in het prachtige stadhuis van Friedhoff) ook de redacties van de verschillende kranten, de Groote Sociëteit, de Schouwburg en de bibliotheek. Ook in de crisistijd van de jaren '30 bleef Enschede hard doorgroeien, de gemeente zag in dat het stadscentrum uit haar jasje aan het groeien was en dat er noodzaak was tot een grote herinrichting. Bij het maken van plannen voor de Singel had men al ideeën ontwikkeld over verkeersdoorbraken door het centrum. De crisisjaren en de tweede wereldoorlog zorgden er echter voor dat deze plannen niet verder kwamen dan de ambtelijke bureaus. 

"De Fabrieksstad" - Schoolwandplaat van J.H.C. Heijenbrock uit 1916.


De tram in het centrum van de stad.


Het immense fabriekcomplex van Van Heek & Co langs de spoorlijn naar Gronau.
   
Naar boven Wederopbouw
Na de oorlog lag een groot deel van het Enschedese centrum in puin. Bij het wederopbouwplan kwam de verkeersdoorbraak opnieuw ter sprake. Dit mondde uit in het Boulevardplan. Prognoses gingen uit van een bevolkingstoename van 100.000 in 1950 tot 250.000 in 2000, en een enorme groei van het autoverkeer. Om dit alles op te kunnen vangen besloot de gemeente dwars door het centrum een brede boulevard aan te leggen, rondom deze weg zou het zakencentrum van de stad kunnen verrijzen. Plannen voorzagen in lange winkelgalerijen, grote kantoorpanden, een nieuw postkantoor en een handelsbeurs. In de jaren '50 werd begonnen met de aanleg van de Boulevard 1945, hele wijken werden op Haussmanniaanse wijze gesloopt. Het centrum raakte ingesloten door braakliggende vlaktes, iets wat zeker dertig jaar zo zou blijven. Behalve in het centrum werd ook aan de randen van de stad druk gebouwd. Voor het eerst in haar bestaan verrezen er etagewoningen. Nieuwe wijken vol portiekflats en torenflats zoals Boswinkel, Stadsveld, Twekkelerveld, Mekkelholt en Deppenbroek lenigden de woningnood en boden woonruimte aan nieuwkomers uit Spanje, Italië en Griekenland die in de textielindustrie kwamen werken. In de jaren '60 werden de eerste bouwprojecten van het Boulevardplan opgeleverd; winkels en woningen aan het Van Loenshof en het Van Heekplein. Ook in het centrum verschenen nu de eerste torenflats. Maar de Enschedese skyline werd nog altijd voornamelijk gevormd door rokende fabriekspijpen. In een kleine tien jaar tijd voltrok er zich echter een economische catastrofe die de stad ingrijpend zou veranderen.

Aanleg van de Boulevard 1945 in 1956.


Bouw woonflats Mekkelholt 1961.
   
Naar boven Neergang van de textiel
Tussen 1967 en 1977 sloten bijna alle textielfabrieken hun deuren. Enschede veranderde van een nijvere industriestad in een plaats vol werkloze arbeiders en leegstaande fabrieken. De grootse plannen van de gemeente liepen door de crisis geheel vast. De Boulevard 1945 bleef omringd door kale onbebouwde vlaktes. De enorme leegstaande fabriekscomplexen baarden de gemeente ernstige zorgen. Projectontwikkelaars dreigden de ontwikkeling van het stadscentrum te stagneren door met de bedrijfsterreinen, die vaak tegen de binnenstad aanlagen, te speculeren. Om dit tegen te gaan kocht de gemeente in de jaren '70 alle terreinen rond de binnenstad op. Dit leidde samen met de sterk toegenomen sociale kosten door de hoge werkloosheid tot het failliet van de stad Enschede. Enschede werd artikel 12 gemeente en werd dus onder curatele van het Rijk gesteld. Ondanks de totale verloedering van het centrum en minder sterke groei van de bevolking bleef de stad het aantal woningen wel uitbreiden. In de jaren '70 de hoogbouwwijk Wesselerbrink en de laagbouwwijken Stokhorst, Bolhaar en Stroinkslanden-west. In de jaren '80 de Helmerhoek en Stroinkslanden-oost. Het aantal inwoners ging gestaag in de richting van de 150.000, mede door de gezinsherenigingen van Turken en Marokkanen.

Sloop van de Van Heek fabriek in 1977.


Heipalen galerijflat Wesselerbrink 1968.
   
Naar boven De Feniks
De financiële steun van de regering stelde de gemeente intussen in staat om het centrum te reconstrueren. Bijna alle binnenstadsstraten werden autovrij, er werden een aantal winkelcentra gebouwd en bij het station verrezen kantoorgebouwen. Halverwege de jaren '90 kwam de gemeente tot de conclusie dat de Boulevard en het van Heekplein in hun toenmalige staat de ontwikkeling van Enschede tot Euregionaal centrum in de weg stonden. Er werd een Masterplan voor de binnenstad opgesteld, dat na vele wijzigingen leidde tot vier deelplannen. De Boulevard verdween en maakte plaats voor een groot winkelplein met onder andere de V&D en de Bijenkorf. De pleinen rondom het station werden autoluw gemaakt en er kwam een nieuw busstation. De stationsomgeving wordt het zakencentrum van de stad. Aan de noordkant van het centrum, in de omgeving van het Molenplein worden de culturele functies geconcentreerd in het Muziekkwartier. De meeste kale terreinen rondom de binnenstad zijn inmiddels bebouwd met appartementen en kantoren. Aan de oostkant van de stad verrijst op dit moment de Vinex-wijk Eschmarke met zo'n 6.000 woningen en in Enschede Noord wordt hard gewerkt om de voormalige industrieterreinen om te vormen tot een aantrekkelijke binnenstedelijke wijk. Op het gebied van verkeer en vervoer loopt de gemeente voorop met deels al uitgevoerde plannen voor Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) naar de buitenwijken en een beleid dat er op gericht is de automobiliteit terug te dringen. 
Ondanks alle voorspoed kreeg aan het begin van de nieuwe eeuw de stad nog één grote tegenslag te verwerken: de vuurwerkramp. Op de zomerse zaterdagmiddag van 13 mei 2000 ontaardde een onschuldig ogend brandje in een opslagloods in een catastrofale ramp waarbij 22 mensen het leven lieten en een complete woonwijk werd verwoest. Hoewel deze 13e mei de boeken in zou gaan als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Enschede, is de stad niet bij de pakken neer gaan zitten. Het gebied wordt langzaam maar zeker opnieuw ingevuld met woningen en bedrijven en centraal in de wijk een herdenkingsmonument.
 

Stationsgebied.


Bouwput H.J. van Heekplein.
Copyright ©2000-2008 Enschede-Stad.nl